Automatische doorsnede-eigenschappen definiëren

Tekla Structures
Aangepast: 9 dec 2022
2025
Tekla Structures

Automatische doorsnede-eigenschappen definiëren

U kunt enkele automatische eigenschappen voor doorsneden instellen voordat u een tekening maakt. De eigenschappen voor automatische doorsneden moeten op twee plaatsen in tekeningeigenschappen worden ingesteld: In de Doorsnedeeigenschappen en in Maken aanzicht > Aanzichteigenschappen. De instellingen in de Doorsnede-eigenschappen zijn van toepassing op alle doorsneden in de tekening.

Raadpleeg voor een lijst en omschrijvingen van doorsnede-eigenschappen: Eigenschappen doorsnede.

Automatische doorsnede-eigenschappen definiëren

Voor overzichttekeningen kunt u de instelling Startnummer of -letter van doorsnede en symboollabel alleen wijzigen.

  1. Klik op het tabblad Tekeningen & Lijsten op Tekening­eigenschappen en selecteer het tekeningtype.
  2. Laad tekeningeigenschappen die zo dicht mogelijk aansluiten aan degene die u nodig hebt.
  3. Klik op Doorsnede.
  4. Stel op het tabblad Attributen waarden in voor Aanpassen aan onderdelen of Doorsnede diepte en Afstand voor combineren doorsneden. Vergeet niet eerst het selectievakje Grootte in te schakelen:
    • De instelling Aanpassen aan onderdelen werkt als een alternatief voor Doorsnede diepte en Afstand voor combineren doorsneden en geeft het hele onderdeel in de doorsneden weer.

    • Doorsnede diepte definieert de positieve en negatieve diepte van de doorsnede wanneer doorsneden niet zijn gecombineerd. In een geopende tekening kunt u de diepte van de doorsnede ook aanpassen door de aanzichtgrens te verslepen.
    • Afstand voor combineren doorsneden definieert het afstandsbereik voor het combineren van doorsneden.
    • U kunt bovendien met de variabele XS_DRAWING_CUT_VIEW_COMPARISON_CRITERIA definiëren welke doorsneden worden gecombineerd.
  5. Stel nog op het tabblad Attributen de richting van de Linker doorsnede, Doorsnede midden en Doorsnede rechts in op links of rechts.
  6. Ga naar het tabblad Doorsnede en stel de lijnlengte van het doorsnedelabel en de offset (afstand tussen het doorsnedelabel en de doorsnede) in.
  7. Ga naar het tabblad Doorsnedelabel en wijzig de instellingen van het doorsnedelabel.
    1. Klik op de knop ... naast A1 - A5 om het dialoogvenster Labelinhoud te openen.
    2. Selecteer de elementen die u wilt opnemen in het label.
    3. Selecteer indien nodig een element in de lijst, klik op < Kader toevoegen en selecteer het Type en de Kleur voor het kader.
      U kunt een standaardkleur gebruiken of een eigen RGB-kleur definiëren.
    4. Selecteer indien nodig een element in de lijst en selecteer de tekst Kleur, Lettertype en Hoogte.
      U kunt een standaardkleur gebruiken of een eigen RGB-kleur definiëren.
    5. Ga naar het tabblad Positie en selecteer aan welke zijde de tekst wordt weergegeven, stel de tekstpositie, de horizontale en verticale offset, en de rotatieopties voor de tekst in.
    6. Selecteer in Startnummer of -letter van doorsnede en symboollabel of u de doorsnede en doorsnedesymboollabels met een cijfer of een letter wilt beginnen.
      • U kunt elk nummer vanaf 1 invoeren of een letter die met A - Z of a - z begint (worden ook in hoofdletters in het label weergegeven).
      • Als u een letter gebruikt en de ingevoerde tekenreeks is niet langer dan één letter, wordt alleen de eerste letter weergegeven. Als u nummers gebruikt, worden alle ingevoerde nummers weergegeven.
      • Het startnummer in het label wijzigt alleen wanneer u het in de tekeningeigenschappen wijzigt voordat u een tekening maakt en wanneer u het in een bestaande tekening wijzigt en de tekening opnieuw maakt, waardoor de labels voor alle automatisch opgenomen doorsneden en alle nieuwe doorsneden worden gewijzigd.
    7. Klik op OK om naar de tekeningeigenschappen terug te gaan.
  8. Klik op Maken aanzicht en voeg de te maken doorsnede en eindaanzichten toe.
  9. Selecteer nog in het paneel Maken aanzicht het aanzicht en de eigenschappen die u wilt wijzigen en klik op Aanzichteigenschappen.
  10. Pas de aanzichteigenschappen indien nodig aan.
  11. Klik op Opslaan om de aanzichteigenschappen op te slaan.
  12. Klik op Sluiten.
  13. Herhaal de stappen 9 - 12 voor alle doorsneden en eindaanzichten die u maakt.
  14. Als u de wijzigingen wilt op slaan, klikt u op Opslaan.

Voorbeelden van doorsnede- en labelinstellingen

Doorsneden combineren

(1) Afstand voor combineren doorsneden = 1’- 4"

(2) Doorsnedediepte = 4"

(3) Gecombineerde doorsneden

Doorsnederichting

De richting van de doorsnede wordt aangegeven met de pijl in het doorsnedesymbool, zoals hieronder wordt weergegeven:

(1) Linker doorsnede, rechter richting

(2) Middelste doorsnede, rechter richting

(3) Rechter doorsnede, linker richting

Doorsnedelabels

Zie hieronder voor voorbeelden van doorsnedelabels:

Richtinglabels voor doorsneden en eindaanzichten in tekeningen weergeven

U kunt richtinglabels voor aanzichten in doorsneden en eindaanzichten in tekeningen weergeven.

Raadpleeg Venstereigenschappen in tekeningen voor informatie over venstereigenschappen.
  1. Klik op het tabblad Tekeningen & Lijsten op Tekening­eigenschappen en selecteer het tekeningtype.
  2. Laad tekeningeigenschappen die zo dicht mogelijk aansluiten aan degene die u nodig hebt.
  3. Klik in de optiestructuur aan de linkerzijde op Maken aanzicht, selecteer het aanzicht en de eigenschappen die u wilt wijzigen en klik op Aanzichteigenschappen.

    Selecteer een doorsnede of een eindaanzicht.

  4. Ga naar het tabblad Label in Aanzichteigenschappen.
  5. Selecteer een van de opties in Richting vensterlabels: Toon labels:
    • Alleen symbool
    • Alleen label
    • Symbool en label
    • Geen geeft geen labels weer.
  6. Definieer de hoogte van het symbool en tekstlabel in Hoogte.

    Als u 0 probeert te gebruiken, krijgt u een foutmelding.

  7. Als u de wijzigingen wilt op slaan, klikt u op Opslaan.
  8. Klik op Sluiten.
  9. Klik op Opslaan om de tekeningeigenschappen op te slaan, klik vervolgens op OK en maak de tekening.

Het richtinglabel van het eindaanzicht wordt weergegeven met een klein symbool (optioneel met een tekstlabel) rond het eindaanzicht of de doorsnede.

De positie van richtinglabel volgt nu de instelling van de labelpositie. In de onderstaande afbeelding is Midden t.o.v. zichtbaarheidsvenster voor het label geselecteerd.

Tips

De locatie voor eindaanzichten en doorsneden definiëren

U kunt doorsneden en eindaanzichten altijd naast het hoofdaanzicht of op een lege locatie in een onderdeel-, merk- of betontekening plaatsen.

  1. Klik op het tabblad Tekeningen & Lijsten op Tekening­eigenschappen en selecteer het tekeningtype.
  2. Laad tekeningeigenschappen die zo dicht mogelijk aansluiten aan degene die u nodig hebt.
  3. Klik op Opmaak en ga naar het tabblad Andere.
  4. Stel Uitlijnen eindaanzichten t.o.v. hoofdaanzichten in op Ja om de aanzichten naast het hoofdaanzicht te plaatsen.
  5. Stel Uitlijnen doorsneden t.o.v. hoofdaanzicht in op Ja om de aanzichten naast het hoofdaanzicht te plaatsen.
  6. Als u de wijzigingen in een bestand met tekeningeigenschappen wilt opslaan, klikt u bovenaan op Opslaan.
  7. Klik op OK en maak de tekening.

    Als u Nee selecteert, plaatst Tekla Structures de doorsnede en de eindaanzichten op een willekeurige beschikbare locatie.

Voorbeeld

Eindaanzichten en doorsneden op een willekeurige locatie (Nee geselecteerd).

Eindaanzichten en doorsneden naast het hoofdaanzicht (Ja geselecteerd).

Raadpleeg Opmaakeigenschappen voor meer informatie over opmaakeigenschappen.

Was dit nuttig?
Vorige
Volgende