Werken met systeemcomponenten
Gebruik systeemcomponenten om onderdelen in het model te verbinden en taken te automatiseren.
Systeemcomponenten worden aangepast aan wijzigingen in het model. Dat houdt in dat een component automatisch wordt gewijzigd in Tekla Structures als u de onderdelen wijzigt die daarmee worden verbonden. Wanneer u objecten kopieert of verplaatst, kopieert of verplaatst Tekla Structures automatisch alle met de objecten gekoppelde componenten.
Alle systeemcomponenten worden in de database Applicaties en componenten opgeslagen. Klik op de knop Applicaties en componenten
in het zijvenster om de database Applicaties en componenten te openen.
Componenteigenschappen definiëren
Elke component heeft een dialoogvenster waarin u de eigenschappen van de component kunt definiëren. U kunt het dialoogvenster openen door in de database Applicaties en componenten op de component te dubbelklikken.
In de onderstaande afbeelding wordt een standaardvoorbeeld van een staalverbinding weergegeven, de verbinding Hoekstaal gebout, 2 zijden (143). Dialoogvensters voor componenten voor beton en wapening kunnen verschillende opties hebben.

| Beschrijving | |
|---|---|
|
1 |
In het bovenste deel van het dialoogvenster kunt u vooraf gedefinieerde instellingen opslaan en laden. Sommige componenten hebben knoppen voor toegang tot bouten, lassen en DSTV-eigenschappen. Als u verbindingen en details wijzigt, kunt u selecteren of Tekla Structures andere typen verbindingen en details negeert of alle geselecteerde verbindingen en details ongeacht hun type wijzigt. Met deze wijzigingsoptie wordt het type van de geselecteerde componenten gewijzigd om met het type van de component die u momenteel wijzigt overeen te komen. Raadpleeg voor meer informatie Objecteigenschappen opslaan en laden in het eigenschappenvenster of in de dialoogvensters en Modelmapbestanden en bestandsextensies. |
|
2 |
U kunt op de tabbladen de eigenschappen definiëren van de onderdelen en bouten die de component maakt. U kunt handmatig waarden invoeren, standaard systeemwaarden, AutoDefaults-waarden, automatische waarden of voor enkele staalverbindingen de waarden in het bestand joints.def gebruiken. Handmatig ingevoerde waarden, AutoDefaults, automatische waarden en de eigenschappen die in het bestand joints.def zijn gedefinieerd overschrijven alle de systeemstandaards. De standaard systeemwaarden worden gebruikt als u een waarde niet handmatig invoert of een ander type eigenschapswaarde selecteert. U kunt de standaard systeemwaarden niet wijzigen. Meer informatie over joints.def vindt u in Verbindingseigenschappen in het bestand joints.def definiëren. |
|
3 |
Meer informatie over de dialoogvensterknoppen vindt u in Objecteigenschappen weergeven en wijzigen met behulp van dialoogvensters. |
|
4 |
Als u een AutoDefaults-optie De afbeelding in de AutoDefaults-optie is een voorbeeld en hoeft niet met het resultaat in het model overeen te komen. Meer informatie over AutoDefaults vindt u in AutoDefaults. |
|
5 |
Als u een automatische optie Als u de automatische optie bijvoorbeeld voor het schotje in Eindplaat (144) gebruikt, wordt het schotje automatisch aan een ligger-tegen-kolomverbinding toegevoegd maar niet aan een ligger-tegen-liggerverbinding. Meer informatie over AutoVerbinding vindt u in AutoVerbinding. |
|
6 |
De onderdelen die in het componentendialoogvenster geel zijn, worden door de component gemaakt. |
|
7 |
De onderdelen die in het componentendialoogvenster blauw zijn, moeten al voordat u de component maakt in het model bestaan. |
|
8 |
Met de opwaartse richting wordt aangegeven hoe de verbinding ten opzichte van het huidige werkvlak rond het aansluitend onderdeel wordt geroteerd. Het symbool Als er geen aansluitende onderdelen zijn, wordt de verbinding in Tekla Structures rondom het hoofdonderdeel geroteerd. De opties zijn: U kunt de standaard opwaartse richting wijzigen op het tabblad Algemeen van het componentendialoogvenster. Probeer eerst de positieve richtingen te wijzigen. |
|
9 |
Klik op de knop Maak om een nieuwe component in het model te gaan maken met de instellingen die in het dialoogvenster van de component zijn toegepast. Volg vervolgens de instructies op de statusbalk. |
Een component aan een model toevoegen
Als u een component aan een model toevoegt, voegt u de component aan de bestaande onderdelen in het model toe of wijst u posities aan om de locatie of de lengte van de component aan te geven.
De verbindingen en details hebben een hoofdonderdeel dat u eerst selecteert. De verbindingen hebben ook één of meer aansluitende onderdelen die u selecteert nadat u het hoofdonderdeel hebt geselecteerd. Detailleringscomponenten hebben niet altijd een hoofdonderdeel en aansluitende onderdelen. In plaats daarvan maken en assembleren deze automatisch de onderdelen om een structuur te bouwen wanneer u een positie in het model aanwijst.
Als u een component gebruikt waarmee u geen ervaring hebt, gebruikt de standaardeigenschappen van de component. Controleer vervolgens wat er moet worden gewijzigd en wijzig slechts een paar eigenschappen tegelijk om te zien hoe de wijzigingen op de component van invloed zijn. Dit is sneller dan wanneer u alle componenteigenschappen probeert in te stellen voordat u kijkt wat de component daadwerkelijk maakt.
U kunt informatie krijgen over het toevoegen en wijzigen van de component in het model in een opdrachtpromptvenster. Deze informatie kan bij probleemsituaties handig zijn. Stel de variabele XS_DISPLAY_RPC_COMPONENT_CONSOLE_WINDOW in op TRUE om het venster weer te laten geven. De waarde is FALSE en het venster wordt standaard niet weergegeven.
Een component in een model wijzigen
U kunt de eigenschappen van een component wijzigen nadat u de component in het model hebt toegevoegd, als u bijvoorbeeld het aantal bouten of de plaatafmetingen wilt wijzigen.
Als u componenten aan het model hebt toegevoegd, kunt u het eigenschappenpaneel gebruiken om de componenten weer te geven:
- Als u een component in het model selecteert, geeft in het eigenschappenpaneel de naam en het nummer van die component weer. U kunt het dialoogvenster componenteigenschappen openen door op de Componenteigenschappen knop in het eigenschappenpaneel te klikken.
- Als u meerdere verschillende componenten in het model selecteert, geeft het eigenschappenpaneel lijsten weer die de tekst Varieert hebben. Open de lijsten om de namen en nummers van de geselecteerde componenten weer te geven.
- Als u componenten en andere modelobjecten selecteert, klikt u op de knop Objecttypelijst
in het eigenschappenvenster om een lijst met de geselecteerde objecttypen te openen en selecteert u Component om de componenten weer te geven.
Een component in een model weergeven
U kunt diverse aanzichten van een component maken om deze vanuit verschillende gezichtspunten te bekijken.
U kunt de inhoud weergeven van geselecteerde componenten, zoals onderdelen, bouten, lassen en andere details weer, ook als Zichtbaarheid in componenten niet is geselecteerd in het dialoogvenster . Om de inhoud weer te geven, gaat u naar het tabblad Venster op het lint, klikt u op en selecteert u de componenten. U kunt ook inhoud typen in het vak Snel starten om het commando Componentinhoud weergeven te starten.

Wanneer u op klikt, is de inhoud niet meer zichtbaar.
Componenten naar conceptuele of detailleringscomponenten converteren
- Detailleringscomponenten bevatten alle informatie die nodig is voor de fabricage, zoals merken, betonelementen en wapeningsstaven.
Detailleringscomponenten hebben een rond symbool in het model:
of
. - Conceptuele componenten lijken op detailleringscomponenten, maar hebben niet de mogelijkheid om de instellingen voor de nummering van onderdelen en merken te wijzigen. Conceptuele componenten zijn bedoeld om te gebruiken als referentie voor verdere productiedetaillering.
Conceptuele componenten hebben een rechthoekig symbool in het model:
of
.
U kunt conceptuele componenten maken in de Tekla Structures Graphite-configuratie en in de oude configuraties Engineering Rebar Detailing en Construction Modeling.
U kunt conceptuele componenten bewerken en deze converteren naar detailleringscomponenten in de configuratie Tekla Structures Diamond en de oude configuraties Full, Primary, Steel Detailing en Precast Concrete Detailing.
Als u onderdeeleigenschappen zoals de grootte van het hoofdonderdeel van de component wijzigt, wordt een detailleringscomponent niet automatisch naar een conceptuele component geconverteerd of omgekeerd. Als u bijvoorbeeld de configuratie Tekla Structures Graphite gebruikt en het model wijzigt, worden detailleringscomponenten niet naar conceptuele componenten geconverteerd. Detailleringscomponenten worden echter aangepast aan de wijzigingen die in het model zijn aangebracht, maar u kunt geen eigenschappen wijzigen met het componentdialoogvenster. Ook blijven detailleringscomponenten detailleringscomponenten, tenzij u ze een voor een omzet.
U kunt componenten converteren in de Applicaties en componenten-database. Klik op de knop Applicaties en componenten
in het zijvenster om de database Applicaties en componenten te openen.
U kunt het volgende doen:
| Taak | Actie | Configuratie |
|---|---|---|
| Een conceptuele component naar een detailleringscomponent converteren. |
|
Tekla Structures Diamond Full, Primary, Steel Detailing, Precast Concrete Detailing |
| Een detailleringscomponent naar een conceptueel component converteren. |
|
Tekla Structures Graphite Engineering, Construction Modeling, Rebar Detailing |
selecteert, gebruikt
selecteert, bepaalt
op het tabblad 




.


>