Lassen in tekeningen weergeven

Tekla Structures
2024
Tekla Structures

Lassen in tekeningen weergeven

Tekla Structures geeft de lassen die u in een model hebt gemaakt weer als lasnaden en laslabels in tekeningen. In tekeningen kunt u zowel automatisch als handmatig intelligente labels aan modellassen toevoegen. U kunt ook handmatig tekeninglassen toevoegen, maar deze labels hebben niet perse een gekoppelde fysieke las in het model.

Hoe lassen in tekeningen worden weergegeven

Tekla Structures geeft de lassen die u hebt toegevoegd in een model weer als lasnaden en laslabels in tekeningen. U kunt laslabels ook handmatig in een geopende tekening toevoegen.

Lasconcepten

Modellassen worden in tekeningen als laslabels en lassen of lasnaden weergegeven. Lassen en laslabels kunnen afzonderlijk worden ingesteld. U wilt mogelijk bijvoorbeeld de lassen in één tekeningaanzicht en de laslabels in een ander aanzicht weergeven.

3D-model lassen zijn weergaven van werkelijke lassen. Las-solids in tekeningen zijn weergaven van de lassen in modellen. Een lasnaad is het onderdeel van het laspad waar de solid las wordt getekend. Het laspad kan uit meerdere lasnaden bestaan.

Solid-lassen worden voor de volgende lassen in tekeningen weergegeven:

  • Solid lassen worden in tekeningen weergegeven voor die lastypen die werkelijke solid ondersteuning hebben. Lassen die geen echte solid ondersteuning hebben, worden in het model weergegeven met een hexagonale tijdelijke aanduiding en in tekeningen worden solid lassen niet weergegeven.

  • Aangepaste doorsnedelassen worden ook ondersteund.

Solid lassen kunnen als omtrekken of paden, met of zonder verborgen lijnen worden weergegeven.

In het eerste voorbeeld zijn de lassen aan de rechterkant en in het midden met omtrekken en eigen verborgen lijnen getekend. De las aan de linkerkant geeft het laspad en de verborgen lijnen weer.

Het tweede voorbeeld is een doorsnede van de structuur. De lassen aan de linkerzijde en in het midden zijn met omtrekken getekend en de las aan de rechterzijde geeft het pad weer. De lasmaatlijnen zijn handmatig toegevoegd.

De lassymbolen binnen de laslabels geven de laseigenschappen aan die voor de modellas in het model of voor het tekeninglaslabel in de tekening zijn gedefinieerd. Hieronder ziet u een voorbeeld van een modellasnaad (rood) en een modellaslabel (groen) in een tekening.

Raadpleeg ook: Symbolen voor lassen en lastype.

Naast de lassymbolen bevat het laslabel een referentielijn en een pijl. De pijl verbindt de referentielijn met de pijlzijde van een verbinding. De lassen op de pijl en andere zijden van een onderdeel kunnen verschillende laseigenschappen hebben.

Lasplaatsing

Als onderdelen aan elkaar worden gelast, kunt u lassen plaatsen op:

  • Alleen de pijlzijden

  • Alleen de andere zijden

  • Zowel de pijlzijden als andere zijden

De volgende afbeeldingen beschrijven de basisprincipes voor de plaatsing van lassen.

(1) Boven lijn

(2) Onder lijn

(3) Pijlzijde voor las

(4) Andere zijde voor las

Standaard plaatst Tekla Structures de lassen boven lijn volgens de ISO-standaard. U kunt dit wijzigen naar onder lijn om te voldoen aan de AISC-standaard met de gavanceerde optie XS_AISC_WELD_MARK.

Modellaseigenschappen

Als u modellaseigenschappen wilt wijzigen, moet u de las in het model wijzigen. Wanneer u het model bijwerkt, worden de lasobjecten en de laslabels in de tekening volgens de modelwijzigingen bijgewerkt. U kunt in tekeningen de inhoud en het uiterlijk van de modellaslabels en de zichtbaarheid, de weergave en het uiterlijk van modellasobjecten wijzigen.

Solid lassen kunnen in onderdeel-, merk- en overzichttekeningen worden weergegeven.

Tekeninglaslabels handmatig toevoegen

U kunt handmatig lassen toevoegen in een geopende tekening. Tekla Structures maakt handmatige tekeninglaslabels met de laslabeleigenschappen van de huidige tekening. Als u handmatige tekeninglaslabels wilt toevoegen, hoeft er in de tekening geen modellas aanwezig te zijn.

  1. Ga in een geopende tekening naar het tabblad Opmerkingen, houd de Shift ingedrukt en klik op Laslabel.
  2. De inhoud en het uiterlijk van het tekeninglaslabel wijzigen.
    • Geef in Rand/rondom aan of slechts een rand van een vlak moet worden gelast of de hele omtrek.
    • Geeft in Werkplaats/Montage aan waar de las moet worden gemaakt.
    • Stel Steeklas in op Ja om een zigzag onderbroken las te maken. Nee maakt een niet-gespreide las.
    • Voer de laslabeleigenschappen in van de tekening die u wilt opnemen in het laslabel onder Boven lijn en Onder lijn of selecteer deze.

      Klik op de knoppen en om waarden tussen de kolommen Onder lijn en Boven lijn te kopiëren.

      Klik op de knop om het koppelen in of uit te schakelen.

      De middelste knop is blauw wanneer de waarden zijn gekoppeld. Dit betekent dat als u een waarde in een van de kolommen wijzigt, de corresponderende waarde in de andere kolom ook wordt gewijzigd.

    • Stel de eigenschappen van het lettertype en de labelachtergrond in en pas het type en de kleur van de aanhaallijn aan.

      U kunt een standaardkleur gebruiken of een eigen RGB-kleur definiëren.

    • Stel Plaatsingsmethode in op Vast om het laslabel exact op de gekozen positie te plaatsen en het daar te houden. Met Vrij kan Tekla Structures naar de eerste geschikte locatie voor het laslabel zoeken.
    • Definieer in Positie de gebieden waar Tekla Structures zoekt naar een positie om het laslabel te plaatsen.

    • Definieer in Afstand s de lege marge die u rondom het label open wilt laten.
    • Definieer in Afstand d min de minimale afstand van het label van het onderdeel.

    Raadpleeg Eigenschappen tekeninglaslabel voor meer informatie over de eigenschappen van tekeninglaslabel.

  3. Wijs een positie aan voor het tekeninglaslabel.

    Het tekeninglaslabel is gemaakt. U kunt het label met de handle van het basispunt naar een geschiktere locatie verslepen.

Voorbeeld: In tekeningen toegevoegde laslabels tekenen

In dit voorbeeld geeft de eerste afbeelding hieronder eigenschappen van het lastekeninglabel in het tekeningeigenschappenvenster weer. De eigenschappen zijn in de afbeelding genummerd. De tweede afbeelding geeft een lastekeninglabel weer in een tekening en hoe en waar de eigenschappen worden weergegeven in het label.

(1) Rand/rondom, waar een rondom lassymbool wordt gebruikt

(2) Werkplaats/montage, waar een montage lassymbool wordt gebruikt

(3) Lasprefix

(4) Lastype

(5) Lasgrootte

(6) Lashoek

(7) Contoursymbool voor las

(8) Afwerkingssymbool voor las

(9) Effectieve lashoogte

(10) Lasopening

Modellaslabels handmatig toevoegen

U kunt labels aan modellassen in een geopende tekening toevoegen, bijvoorbeeld als u die al niet eerder bij het maken van de tekening hebt gemaakt. Als u handmatig laslabels voor het model wilt toevoegen, dan moet u een modellas in de tekening hebben. Tekla Structures maakt modellassen met de voor de modellas in het model gedefinieerde eigenschappen. U kunt de instellingen van de zichtbaarheid en het uiterlijk van het modellaslabel in de tekening aanpassen.

  1. Open een tekening die in het model gemaakte lassen bevat.
  2. U kunt het volgende doen:
    • Selecteer een modellas in de tekening.

    • Selecteer meerdere modellassen in de tekening met de keuzeknop Lassen selecteren en gebiedsselectie of de selectiefunctionaliteit in Inhoudsbeheerder tekening.

    Als u geen lassen in de tekening kunt zien, moet u de zichtbaarheidsinstellingen in de tekeningaanzichteigenschappen aanpassen. Raadpleeg hieronder ook het gedeelte 'Wat als lassen of lassen niet zichtbaar zijn in een tekening '.

  3. Klik met de rechtermuisknop en selecteer Laslabel toevoegen.

    Het laslabel wordt gemaakt.

    Merk op dat wanneer een laslabel via het contextmenu is toegevoegd, het nu zichtbaar is, zelfs als de grootte onder de minimumlimiet van de lasgrootte in de eigenschappen van het tekeningaanzicht is gedefinieerd.

  4. Om de eigenschappen van het laslabel te wijzigen, gaat u op een van de volgende manieren te werk:
    • Klik op een modellas in de tekening. Als het eigenschappenvenster niet is geopend, dubbelklikt u op het laslabel.
    • Selecteer meerdere modellassen met de keuze knop Lassen selecteren en de gebiedsselectie of de Inhoudsbeheerder tekening. Wanneer de lassen zijn geselecteerd, klikt u met de rechtermuisknop en selecteert u Laslabels selecteren en Van huidige tekeningaanzicht of Van alle tekeningaanzichten. Schakel alle selectieknoppen opnieuw in . Druk vervolgens op Shift en dubbelklik op een laslabel.
  5. Voer de inhoud en het uiterlijk van de laslabels in:
    • Activeer de oogknoppen naast de laseigenschappen om de eigenschappen in modellaslabels weer te geven.

      Klik op de knoppen en om waarden tussen de kolommen Onder lijn en Boven lijn te kopiëren.

      Klik op de knop om het koppelen in of uit te schakelen.

      De middelste knop is blauw wanneer de waarden zijn gekoppeld. Dit betekent dat als u een waarde in een van de kolommen wijzigt, de corresponderende waarde in de andere kolom ook wordt gewijzigd.

    • Stel de lettertype-eigenschappen in, pas het type en de kleur van de aanhaallijn aan en selecteer of u een ondoorzichtige of transparante achtergrond in het label wilt gebruiken.

      U kunt een standaardkleur gebruiken of een eigen RGB-kleur definiëren.

    • Definieer in Afstand s de lege marge die u rondom het label open wilt laten.
    • Definieer in Afstand d min de minimale afstand van het label van het onderdeel.

    Raadpleeg voor meer informatie over model-laslabeleigenschappen Modellaseigenschappen in tekeningen.

  6. Klik op Wijzigen.

De wijzigingen zijn toegepast.

U kunt de laslabels naar een andere locatie verslepen. U kunt het label niet van de gekoppelde las wegslepen, maar u kunt het alleen langs de lasnaad verslepen. Raadpleeg voor meer informatie hieronder het gedeelte "Laslabels slepen".

Voorbeelden: Modellaslabels in tekeningen

Modellassen zijn lassen die u in het model hebt toegevoegd. Deze worden in tekeningen weergegeven met lasverbindingsdetails en laslabels. Zie hieronder enkele voorbeelden die de laseigenschappen in het model weergeven en hoe de laslabels er in de tekeningen uitzien.

Voorbeeld 1

In het eerste voorbeeld ziet u in de eerste afbeelding hieronder een voorbeeld van de laseigenschappen in het model. U kunt lassen aan het model toevoegen door een van de commando's voor lassen op het lint Staal te selecteren. Sommige laseigenschappen zijn genummerd in de afbeelding en de tweede afbeelding geeft weer hoe deze eigenschappen worden weergegeven in een laslabel in een tekening.

(1) Rand/Rondom, rondomsymbool voor de las wordt gebruikt

(2) Werkplaats/Montage, montagesymbool voor de las wordt gebruikt

(3) Lasprefix

(4) Lastype

(5) Lasgrootte

(6) Lashoek

(7) Contoursymbool voor las

(8) Afwerkingssymbool voor las

(9) Effectieve lashoogte

(10) Lasopening

Voorbeeld 2

In het onderstaande voorbeeld ziet u een zigzag onderbroken las. De lengte is ingesteld op 50 en de steek op 100.

(1) Zigzaggende, ononderbroken las

(2) Lengte van lassegment

(3) Steek (hart-op-hart-afstand) van lassegmenten

Voorbeeld 3

In het onderstaande voorbeeld ziet u een niet-zigzaggende, ononderbroken las. De lengte wordt ingesteld op 50 en de steek op 100. De steek wordt in het laslabel weergegeven als de steekwaarde groter is dan 0,0.

Voorbeeld 4

Hieronder ziet u een voorbeeld van een ononderbroken las.

Voorbeeld 5

In dit voorbeeld is de optie zigzag, ononderbroken Las geselecteerd en de variabele XS_AISC_WELD_MARK is op FALSE ingesteld om een ISO-compatibel las te produceren.

Voorbeeld 6

In dit voorbeeld wordt de optie zigzag, intermitterende las geselecteerd zoals in het vorige voorbeeld maar de variabele XS_AISC_WELD_MARK is ingesteld op TRUE om een AISC-compatibele las te produceren.

Tip:

Raadpleeg voor instructies over hoe u lassymbolen kunt aanpassen de paragraaf 'Las-typesymbolen aanpassen' verderop op deze pagina.

Eigenschappen van modellassen op aanzichtniveau in een tekening wijzigen

De eigenschappen van de modellassen worden in het model ingesteld. Bij het maken van tekeningen kunt u de eigenschappen van het laslabel definiëren, inclusief de zichtbaarheid en het uiterlijk van het label. U kunt ook wijzigen welke laseigenschappen u wilt weergeven in de labels van de modellassen en het uiterlijk van de labels van de modellassen in de eigenschappen van het laslabel op tekeningniveau (Overzichttekeningen) en op het niveau van het tekeningaanzicht aanpassen.

  1. Dubbelklik in een open tekening op een aanzichtkader om laslabels in een bepaald niveau van dat tekeningaanzicht te wijzigen. Dit opent het dialoogvenster Aanzichteigenschappen.
  2. Klik op Laslabel in de optiestructuur links om laslabeleigenschappen weer te geven.
  3. Selecteer of het lasnummer moet worden weergegeven in het label door Lasnummer in te stellen op Nee of Ja.
  4. Onder Zichtbaarheid:
    • Selecteer in Lassen en Lassen in submerken welk soort laslabel moet worden weergegeven of geef op dat alle lassen moeten worden verborgen (Geen, Montage, Werkplaats, Beide ).
    • Selecteer in Lassen in verborgen onderdelen welk soort laslabels voor verborgen onderdelen moet worden weergegeven (Geen, Montage, Werkplaats, Beide).
    • Voer in Minimum lasgrootte een limiet voor de lasgrootte in om laslabels van die lasgrootte of kleiner uit de tekening te filteren.

      Hoewel u de limiet voor de lasgrootte instelt, worden laslabels altijd weergegeven als ze referentieteksten hebben.

      U kunt de Minimum lasgrootte ook voor alle aanzichten in één keer instellen onder Algemene instellingen voor alle vensters aan de onderkant van de pagina Maken aanzicht in tekeningeigenschappen voor enkele onderdelen en merken.

    • De instelling Lasmarkeringen zichtbaar regelt de zichtbaarheid van modellaslabels in alle weergaven in merktekeningen. Deze instelling bevindt zich ook onder Algemene instellingen voor alle vensters in de merktekeningeigenschappen. U kunt Lasmarkeringen zichtbaar instellen op In één aanzicht of In alle aanzichten.
  5. Onder Boven lijn Onder lijn en Andere maak een selectie ongedaan in het selectievakje in de kolom Zichtbaar naast een eigenschap voor de laslabel die u niet in het lassymbool wilt weergeven.
    Als u Grootte verbergt, dan wordt Prefix ook verborgen en als u Lengte verbergt, dan wordt Steek ook verborgen.
  6. Klik op Plaats... om de plaatsingseigenschappen aan te passen.
  7. Ga naar het tabblad Uiterlijk en wijzig de tekst- en lijnweergave van het laslabel.
  8. Klik op Wijzigen.
    Tip:

    Om de eigenschappen van individuele modellasmerken in het eigenschappenvenster te wijzigen: klik in een geopende tekening op een modellasmerk. Als het eigenschappenvenster niet is geopend, dubbelklikt u op het modellaslabel. Als u meerdere labels wilt selecteren, bijvoorbeeld voor het verwijderen, klikt u met de rechtermuisknop op het laslabel en selecteert u Laslabels selecteren en Van huidige tekeningaanzicht of Van alle tekeningaanzichten.

Voorbeelden

Het eerste voorbeeld geeft een modellaslabel weer waarin veel eigenschappen zichtbaar zijn:

In het tweede voorbeeld zijn alle andere eigenschappen van de modellaslabels verborgen, behalve Type en, en: Referentietekst:

Tip:

De weergave en het uiterlijk van het modellasobject in een tekening wijzigen

U kunt de weergave en het uiterlijk van het modellasobject handmatig op objectniveau wijzigen.

  1. Klik in een geopende tekening op een lasnaad. Als het eigenschappenvenster niet is geopend, dubbelklikt u op de lasnaad.

    Het is eenvoudiger de modellas te selecteren als u alleen de selectieknop Selecteer lassen inschakelt .

    In de volgende afbeelding worden de lasnaden rood weergegeven:

  2. Selecteer of u Verborgen lijnen en Eigen verborgen lijnen wilt weergeven.
  3. Selecteer het gewenste Presentatie type. De opties zijn:

    Pad

    Solid

  4. Wijzig de kleur en het lijntype van de Zichtbare lijnen en Verborgen lijnen.

    U kunt een standaardkleur gebruiken of een eigen RGB-kleur definiëren.

  5. Klik op Wijzigen.

Voorbeelden

In het eerste onderstaande voorbeeld zijn de lassen aan de rechterkant en in het midden met omtrekken en verborgen lijnen getekend. De las aan de linkerkant geeft het pad en de verborgen lijnen weer.

Het tweede voorbeeld is een doorsnede van de structuur. De lassen aan de linkerzijde en in het midden zijn met omtrekken getekend en de las aan de rechterzijde geeft het pad weer. De lassen aan de rechter- en linkerkant lopen om de onderdeelhoek. De lassen hebben handmatige maatlijnen.

Tip:

U kunt voor modellassen automatische laseigenschappen definiëren voordat u een tekening maakt. U kunt de laseigenschappen ook op aanzichtniveau in een geopende tekening wijzigen door op het kader van het tekeningaanzicht dat de lasobjecten bevat te dubbelklikken en uit de optiestructuur Las te selecteren. Op tekening- en aanzichtniveau kunt u ook de zichtbaarheidsinstellingen wijzigen.

Laslabels verslepen

U kunt laslabels langs de lasnaad aan het associativiteitspunt van de aanhaallijn van het laslabel verslepen. Op deze manier kunt u de laslabels beter plaatsen voor een grotere duidelijkheid in de tekeningen. Handmatige tekeninglaslabels die niet aan modellassen zijn gekoppeld, kunnen vrij worden versleept.

Tip:

Als u Tekening verslepen (menu Bestand > Instellingen) hebt geselecteerd, wordt het selecteren en verslepen van het basispunt van de aanhaallijn veel eenvoudiger.

Beperking: U kunt het basispunt van het laslabel van een las niet naar de achterzijde van een dubbelzijdige las verslepen.

  1. Klik op het laslabel nabij de aanhaallijn van het associativiteitspunt.

    Als u Tekening verslepen hebt geselecteerd, hoeft u niet op de aanhaallijn te klikken, aanwijzen is voldoende.

  2. Houd de linkermuisknop ingedrukt en sleep het associativiteitspunt, met de handle van het associativiteitspunt van de aanhaallijn in de punt van de pijl, naar een nieuwe locatie.

Voorbeeld

In de eerste, onderstaande afbeelding worden de lassen in het model weergegeven.

In de tweede afbeelding ziet u de modellaslabels in een tekening. Het gebied waarbinnen het associativiteitspunt van de aanhaallijn van de laslabel kan worden versleept, wordt met donkergroen aangegeven.

Laslabels samenvoegen

U kunt Tekla Structures dwingen om hetzelfde label te gebruiken voor identieke lassen in een tekening door de laslabels samen te voegen.

  1. Open een tekening.
  2. Houd Ctrl ingedrukt en selecteer de laslabels die u wilt samenvoegen.
  3. Klik met de rechtermuisknop en selecteer Samenvoegen in het contextmenu.

    Tekla Structures combineert de labels.

  4. Zo nodig kunt u de samengevoegde laslabels splitsen door met de rechtermuisknop op het samengevoegde label te klikken en in het contextmenu Splitsen te selecteren.

Beschrijving

Voorbeeld

Originele tekening

Samengevoegde laslabels.

Lastypesymbolen aanpassen

De meeste lastypesymbolen zijn in code vastgelegd, maar enkele ervan kunt u in de Symbool Editor bewerken.

De onderste zeven symbolen (symbolen 20-26) in de lijst in de Type Eigenschappen model Las en tekening Las (zie afbeelding hieronder) worden uit het TS_Welds.sym bestand gehaald. U kunt elk van deze zeven symbolen in de Symbool Editor bewerken om een gebruikerslassymbool te maken. De rest van de lassymbolen is in code vastgelegd. Het symbool in de lijst Type wijzigt niet wanneer u het symbool bijwerkt.

Doorgesmolten

Enkele V-stuiklas met steile flank

Enkele afgeschuinde stuiklas met steile flank

Rand

ISO-oplassing

Felslas

Schuine verbinding

  1. Open de Symbool Editor als beheerder.
  2. Klik op Bestand > Openen en blader naar de map waar zich het bestand TS_Welds.sym bevindt.
  3. Selecteer het bestand en klik op OK.
  4. Wijzig het gewenste symbool.

    Als u dit doet, moet u het symbool in dezelfde schaal houden als de andere symbolen. Als uw symbool te groot is om in het vak te passen, kunt u het voorbij de randen laten verlengen:

  5. Sla het symbool op door Bestand > Opslaan te selecteren.

Klik voor meer informatie over de Symbool Editor op de koppeling gebruikers handleiding Symbool Editor op de pagina PDF-documentatie.

Wat als lassen of laslabels niet zichtbaar zijn in een tekening

Als u geen modellassen of laslabels in de tekening kunt zien, moet u de volgende instellingen controleren:

  • Controleer de instellingen met betrekking tot de zichtbaarheid van de las en het laslabel onder Algemene instellingen voor alle vensters op de pagina Maken aanzicht in tekeningeigenschappen. Hiervoor opent u de tekeningeigenschappen door op de tekeningachtergrond te dubbelklikken en links in de optie structuur te klikken op Maken aanzicht:

    • Minimum lasgrootte: Filtert lassen en laslabels met de gedefinieerde lasgrootte en kleiner uit alle aanzicht in een tekening. Deze instelling is beschikbaar in onderdeel- en merktekeningen.

    • Lasmarkeringen zichtbaar: Bepaalt de zichtbaarheid van modellassen in merktekeningen. De opties zijn:

      • In één aanzicht: Tekla Structures vindt automatisch de meest relevante weergave voor het weergeven van de modellaslabels. Elk laslabel wordt in een tekening slechts in één aanzicht weergegeven.
      • In alle vensters: Tekla Structures voegt de laslabels toe in alle tekeningaanzichten die het onderdeel met de las bevatten.
  • Controleer de zichtbaarheidsinstellingen van het laslabel voor de weergave en wijzig deze indien nodig. Dubbelklik hiervoor op het vensterkader en klik op Laslabel in de optiestructuur aan de linkerzijde:
    • Schakel de selectievakjes voor de zichtbaarheid van modellassen op het tabblad Inhoud in.
    • Controleer de waarden voor het volgende: Lassen, Lassen in submerken, Lassen in verborgen onderdelen, Minimum lasgrootte.
    • Controleer de lijnkleurinstellingen op het tabblad Uiterlijk.

      U kunt een standaardkleur gebruiken of een eigen RGB-kleur definiëren.

  • Controleer de zichtbaarheidsinstellingen van de las voor de weergave en wijzig deze indien nodig. Dubbelklik op het vensterkader en klik op Las in de optiestructuur aan de linkerzijde:
    • Controleer de waarden voor het volgende: Lassen, Lassen in submerken, Minimum lasgrootte
    • Controleer de lijnkleurinstellingen op het tabblad Uiterlijk.

      U kunt een standaardkleur gebruiken of een eigen RGB-kleur definiëren.

  • Controleer het tabblad Aangepaste presentatie in de venstereigenschappen las- en laslabel.
  • Controleer in de eigenschappen tekeningvenster of u geen vensterfilters hebt ingesteld die voorkomen dat de lassen of de laslabels worden weergegeven. Dubbelklik hiervoor op het venster kader en klik op Filter in de optiestructuur aan de linkerzijde en controleer of er actieve filters zijn.
Was dit nuttig?
Vorige
Volgende